Jachtwild
Enschedese Jagersvereniging
update 14 juni Activiteiten
Het konijn
Het konijn


Waar veel zandgrond is en rust heerst, zijn wilde konijnen te vinden. Dat hoeven niet per see natuurgebieden te zijn; ook in taluds van autowegen en dijken voelt deze ijverige graver zich thuis.

Het konijn is veel kleiner dan het haas en heeft kortere oren, zonder zwarte vlek aan de punt. De oren reiken naar voren en niet naar buiten de kop, zoals bij het haas. Ook de poten zijn veel korter; het konijn is een sprinter. De vacht heeft een andere structuur dan die van het haas en ook het tussenwandbeen van de schedel vergroeit niet. De lichaamslengte is 35 tot 45 centimeter, met een gewicht van één á twee kilo. Kruisingen tussen haas en konijn zijn onmogelijk omdat het aantal chromosomen van de dieren verschilt. Een haas heeft er 48, een konijn 44.

Biotoop: Konijnen leven heel anders dan hazen, het zijn uitgesproken sociale dieren. Ze wonen in zelf gegraven, veelvuldig vertakte bouwen, met meerdere uitgangen. Om die reden hebben ze een voorkeur voor lichte grond, zoals zandgrond. Ze graven hun bouwen het liefst in licht heuvelachtig land, met struikgewas en kleine bosjes. Deze bieden de noodzakelijke voeding en bescherming. Ook jonge, droge dennenaanplant wordt graag bewoond. Zware, natte grond of los zand worden zoveel mogelijk gemeden. Toch vindt men de soort, dankzij het enorme aanpassingsvermogen, op de meest onmogelijke plaatsen. Konijnen komen nooit voor boven een hoogte van 600 meter, hazen wel.

Bij het graven van de gangen wordt geen systeem gevolgd; er zijn veel blind eindigende zijgangen. De woonketels zijn 30 tot 60 cm hoog, de gangen hebben meestal een diameter van ongeveer vijftien centimeter. De bouw ligt tot drie meter diep, de totaallengte der gangen kan ruim 40 meter zijn. Bij de hoofdingang bevindt zich een hoop grond. Er zijn tal van vluchtgaten - bij een kolonie van 407 konijnen vond men er 2080 - met een loodrechte pijp om bij nood naar buiten te "springen". Konijnen zijn zeer sterk aan de bouw gebonden; buiten een afstand van enkele honderden meters kunnen ze hem niet meer terugvinden. Het territorium, met vaste wissels, wordt gemarkeerd met uitwerpselen.

Binnen de bouw bestaat een strenge rangorde. Oudere voedsters tonen zich zeer agressief tegenover jongere. De oude rammen heersen over bepaalde delen van het territorium. Jonge rammen proberen daarom nieuwe bouwen te vestigen en jonge voedsters werpen hun jongen in speciaal gegraven ketels, wentels geheten. Dominante voedsters brengen hun jongen in de hoofdbouw ter wereld.


Voedsel: Vijf tot zeven konijnen gebruiken evenveel voedsel als een schaap. Ze zijn hierbij vrij kieskeurig, met een voorkeur voor jonge planten en bloeiwijzen met veel eiwit. Naast grassen zijn klaver, granen, struikheide en zegge zeer geliefd. Bittere en zure kruiden worden gemeden, evenals gewassen met veel hars, een sterke geur, veel (brand)haren of stekels. Van de houtige gewassen wordt de vlier gespaard voor konijnenvraat. Bij normale aantallen zorgen konijnen ervoor dat gewassen in de groeifase blijven. Op deze wijze wordt het dichtgroeien van natuurgebieden voorkomen. Ook bij konijnen komt dubbelvertering of caecotrofie voor (zie bij het haas).

Voortplanting: Konijnen kunnen zich enorm. snel voortplanten: de jongen kunnen in hun geboortejaar al weer jongen krijgen. Daardoor kan het aantal dermate toenemen dat grote schade wordt aangericht.

De voortplantingstijd loopt van januari tot eind juni. In maart tot en met mei zijn bijna alle volwassen moeren drachtig. De eisprong vindt ongeveer twaalf uur na de paring plaats. De draagtijd is 28 - 31 dagen. De jongen worden blind geboren en wegen slechts 50 - 60 gram. Op 130 moeren worden ongeveer 100 rammen geboren. In ongeveer drie weken komen ze op een gewicht van 150 gram en eten ze zelfstandig groenvoer. De moer wordt binnen twaalf uur na het werpen weer gedekt. In ongeveer 60% van de zwangerschappen worden, onder invloed van voedselsituatie en populatiedichtheid, de embryo's weer door het moederlichaam geresorbeerd (= in lichaamsvocht opgenomen). Dit begint twaalf dagen na de bevruchting en verloopt binnen twee dagen. Ook hierna wordt de moer onmiddellijk weer gedekt. De worpgrootte varieert van één tot negen stuks.
Het aantal nakomelingen per individu wordt meestal op meer dan 30 geschat. Bij onderzoek werd echter een gemiddelde van tien - twaalf gevonden. De populatiedichtheid kan oplopen tot 100 konijnen per hectare.

Vijanden en bedreiging: Natuurlijke vijanden van het konijn zijn roofvogels (havik) en de vos. Dankzij de virusziekte myxomatose en VHS onder konijnen kon sommige inheemse flora zich enigszins herstellen van konijnenvraat. Myxomatose komt nog steeds veel voor en maakt talloze slachtoffers.

Opening jacht: Onder de jachtwet mogen wilde konijnen het gehele jaar worden bejaagd (de jachttijden onder de Flora- en faunawet zijn nog niet bekend).

Flash Intro
Over ons
Activiteiten/Actueel
Jachtwild
Onze honden
Links en sponsoren
Foto's